'Jezus Christus vertrouwde de menselijke natuur nooit; toch werd Hij nooit cynisch, nooit achterdochtig, omdat Hij volstrekt vertrouwen stelde in wat Hij voor de menselijke natuur kon doen.'
'In het filmpje zie je Márta en Gyorgy Kurtág het stuk, allebei ver in de negentig, naast elkaar, vierhandig spelen. Bijna hand in hand zitten ze bij elkaar, in de studio, en banen ze zich ontroerend een weg door de noten. Het duurt maar zo'n twee minuten, maar het is een ongelooflijke vertoning van liefde. Kwetsbaarheid, oprechtheid, schoonheid. Het is werkelijk onovertroffen. De troost ervan lijkt misschien maar klein, maar is beklijvend, en kruipt onder de huid.'
Ik vind het mooi hoe hij er over schrijft en dat je in muziek troost kunt vinden. Dat moet ik nog een beetje leren denk ik. Ik haal meer troost uit mooie liederen.
♥ Welke chillmethode ga ik gebruiken om goed voor mezelf te zorgen ♥
Elke dag haak ik een paar toeren aan het dekentje voor mijn kleinzoon, dat is zo chill!

'Net als we op het punt staan om te vertrekken, de kille ochtend in voor weer een dag van afgrijselijkheden, ontstaat er commotie aan de deur. De ss-bewaker schreeuwt in het Duits, en een andere man schreeuwt terug en duwt zichzelf de ruimte in. Mijn adem stokt en ik grijp Magda's elleboog zodat ik niet voorover val. Het is de man van de moestuin. Hij kijkt streng door de ruimte. 'Waar is het meisje dat het waagde de regel te overtreden?' vraagt hij op eisende toon. Ik beef. Ik kan mijn lichaam niet stil krijgen. Hij is terug om wraak te nemen. Hij wil de straf in het openbaar uitvoeren. Of hij voelt dat hij dat moet doen. Iemand heeft zijn onverklaarbare vriendelijkheid richting mij ontdekt, en nu moet hij boeten voor het risico dat hij heeft genomen. Hij moet boeten voor zijn risico door mij te laten boeten voor het mijne. Ik beef, ben bijna niet in staat om adem te halen, zo bang ben ik. Ik zit gevangen. Ik weet hoe dicht ik bij de dood ben. 'Waar is die kleine crimineel?' vraagt hij weer. Hij kan me nu elk moment ontdekken. Of hij ziet misschien het loof uit Magda's jas piepen. Ik kan de spanning van wachten tot hij me herkent niet verdragen. Ik laat me op de grond vallen en kruip naar hem toe. Magda sist naar me, maar het is te laat. Ik kruip ineen bij zijn voeten. Ik zie de modder op zijn laarzen, de nerven in het hout van de vloer. 'Jij', zegt hij. Hij klinkt vol afschuw. Ik doe mijn ogen dicht. Ik wacht tot hij me zal schoppen. Ik wacht tot hij me zal doodschieten. Er valt iets zwaars naast mijn voeten. Een steen? Gaat hij me stenigen zodat ik een langzame dood sterf? Nee. Het is een brood. Een klein, donker roggebrood. 'Je moet wel heel veel honger hebben gehad om te doen wat je hebt gedaan,' zegt hij. Ik zou willen dat ik nu die man kon ontmoeten. Hij was het bewijs dat gedurende de twaalf jaar van Hitlers Derde Rijk niet voldoende haat kon worden gezaaid om het goede uit de mensen te verdrijven. Zijn ogen lijken op die van mijn vader. Groen. En vol opluchting.'